HOME      
   

De Nederlandse Klokkenluiderspartij (NKP) luidt voor U de noodklok!

De Klokkeliederspartij (NKP) Liedt foar Jo de Needklok!

Wilt U misstanden of andere ongeoorloofde praktijken melden? Of wilt U graag bepaalde zaken onder onze aandacht brengen, dan bent U van harte welkom om contact met ons op te nemen, anonimiteit en vertrouwelijkheid gewaarborgd! Mail naar: info@klokkenluiderspartij.nl

 
       
  ZOEKEN  
Google search
WWW www.leeuwarderklokkenluiders.nl
 
       
 

REPLIEK OP REAKTIE VAN B&W OP HET

INITIATIEFVOORSTEL

DWANGSOMVERORDENING

 

Repliek op de reactie van B&W van L'den op het initiatiefvoorstel verordening dwangsom bij niet tijdig beslissen.

Het zou de gemeente Leeuwarden sieren om in navolging van vele andere bestuursorganen zoals ondermeer de provincies Gelderland, Overijssel, Drenthe, Utrecht om er maar een paar te noemen, de concept-verordening zoals die er nu ligt vast te stellen. Ook de provincie Fryslân is op dit moment bezig een dwangsom-verordening vast te stellen op initiatief van niemand minder dan de prominente PvdA politicus Bert Versteeg. Het voorstel dient alleen maar ter verbetering van de bescherming van de belangen van burgers, bedrijven en belanghebbenden die dan niet meer in de kou hoeven blijven staan. Zoals gezegd zijn er schrijnende gevallen bekend van burgers die bijvoorbeeld eind 2006 een bruikleenauto hadden aangevraagd in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten en die ruim een half jaar later nog niets hadden vernomen van de gemeente ondanks hun mobiliteitsprobleem.

 
       
 

REAKTIE VAN B&W OP

INITIATIEFVOORSTEL

DWANGSOMVERORDENING

 

Reactie op burgerinitiatief verordening dwangsom bij niet tijdig beslissen

-----------------------------------------------------------

Kenmerk

 

Aan de gemeenteraad.

 

1.Inleiding

Medio oktober 2007 ontvingen wij van de griffie een burgerinitiatief van de heer J. Wiersma. Op zich is dit al een feit om bij te stil te staan, want het is de eerste keer dat er bij de gemeente Leeuwarden een burgerinitiatief is binnengekomen. Voor de behandeling van een burgerinitiatief is er een Verordening Burgerinitiatief van kracht. Uw presidium heeft het verzoek tot agendering gehonoreerd overeenkomstig artikel 5 van de verordening.

Het voorstel is vervolgens door het presidium om commentaar naar ons college gestuurd. In deze brief willen wij graag onze reactie op het burgerinitiatief geven. 

Alvorens inhoudelijk te reageren op het voorstel, willen we kort stilstaan bij de inhoud van het initiatiefvoorstel van de heer Wiersma. Vervolgens laten wij kort de landelijke ontwikkelingen op het terrein van de dwangsom bij niet tijdig beslissen de revue passeren. Het is namelijk zo dat het initiatiefvoorstel van de heer Wiersma inhoudelijk sterk verwant is aan een initiatiefwetsontwerp van de Tweede Kamerleden Wolfsen en Luchtenveld. Dit initiatiefwetsontwerp gaat over de invoering van een dwangsom en ligt momenteel ter behandeling bij de Eerste Kamer op 20 november 2007.

Vervolgens zullen wij onze reactie geven op het burgerinitiatief om over te gaan tot invoering van de ontwerp- verordening en eindigen met een advies.

 

2. Initiatiefvoorstel verordening dwangsom bij niet tijdig beslissen

De heer Wiersma vraagt u een “Verordening dwangsom bij niet tijdig beslissen gemeente Leeuwarden” vast te stellen.

De indiener beoogt rechtsbescherming te geven aan burgers en bedrijven, welke volgens hem, “geconfronteerd worden met te laat beslissen door de bestuursorganen van de publiekrechtelijke rechtspersoon, gemeente Leeuwarden”

 

Het voorstel komt kort samengevat op het volgende neer:

Volgens het burgerinitiatief is een bestuursorgaan (d.i. raad, college en  burgemeester) van de gemeente Leeuwarden, indien het niet tijdig op een aanvraag een beschikking heeft gegeven en de burger hem daarvoor in gebreke heeft gesteld, een dwangsom verschuldigd. Het gaat om beschikkingen op aanvraag: vergunningen, ontheffingen, vrijstellingen, planschadevergoedingen, subsidies, bijdragen, uitkeringen en dergelijke.

Het bestuursorgaan is die dwangsom verschuldigd voor elke dag dat het te laat heeft beslist en in gebreke is gesteld door die burger.

In het maximale geval, indien het overheidsorgaan 42 dagen in verzuim is, moet het een boete betalen van € 1.260,- .

In ieder geval is het bestuursorgaan die boete niet verschuldigd:

  • Indien het niet tijdig besluiten te wijten is aan de aanvrager of
  • Het bestuursorgaan zich op overmacht kan beroepen.

 

3. Landelijke ontwikkelingen

Bovengenoemd voorstel is te plaatsen tegen de volgende achtergrond.

Uit onderzoek en publicaties blijkt dat bestuursorganen wettelijke termijnen vaak overschrijden. Zowel de Nationale Ombudsman als de Algemene Rekenkamer hebben herhaaldelijk gewezen op de bestaande tekortkomingen in de naleving van beslistermijnen.

Door de Tweede Kamerleden Wolfsen en Luchtenveld is daarom op 14 december 2004 een initiatief-wetsvoorstel ingediend om de mogelijkheid te bieden een dwangsom op te leggen bij het niet tijdig beslissen door een bestuursorgaan.

Met dit voorstel willen zij de burgers een effectiever rechtsmiddel in handen geven tegen te trage besluitvorming door het bestuur. Het wetsvoorstel beoogt het bestuur te sanctioneren met het opleggen van een dwangsom bij het niet naleven van wettelijke beslistermijnen. De door genoemde parlementariërs ontwikkelde regeling komt vrijwel overeen met het hiervoor behandelde burgerinitiatief.

Kort samengevat beogen de Kamerleden Wolfsen en Luchtenveld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een onderdeel op te nemen waarbij de overheid nog sterker aangesproken wordt op het tijdig beslissen. De dwangsomregeling geeft de burger een extra waarborg tegen onbehoorlijk gedrag van de overheid. Bovendien wordt zo de rechtszekerheid vergroot.

Ook het wetsvoorstel voorziet in een dwangsomregeling met een maximale periode van 42 dagen en een maximale hoogte van € 1.260,-. De dwangsom wordt toegekend indien er conform de regeling sprake is van een niet tijdig beslissen door het bestuursorgaan op een aanvraag.

 

4. Reactie op het burgerinitiatief

Allereerst willen wij melden dat wij de strekking van het burgerinitiatief onderschrijven. Wij willen onze reactie vanuit twee invalshoeken geven:

 

  • Stand van zaken binnen de gemeente

 

Binnen de gemeente Leeuwarden worden op heel veel terreinen zeer veel aanvragen van burgers en bedrijven in behandeling genomen. Wij onderschrijven het belang om op deze aanvragen binnen de voorgeschreven wettelijke termijnen een beschikking af te geven. Niet alleen omdat de wet dat voorschrijft, maar ook in het kader van dienstverlening naar burgers en bedrijven.

Op dit moment kunnen wij nog geen volledig overzicht geven van de stand van zaken van de afhandeling van aanvragen binnen de gemeente. Maar één ding weten we wel en dat is dat wij momenteel niet kunnen garanderen dat de afhandeling van aanvragen altijd binnen de voorgeschreven termijnen worden gehaald.

Wij schatten in dat, om het voorgeschreven niveau van dienstverlening te halen, een behoorlijk aantal werkprocessen doorgelicht zal moeten worden en daar waar nodig aangepast. Immers er moet nog kritischer gekeken worden naar de volledigheid van de aanvragen, de termijnbewaking en registratie van aanvragen en de beslissingen op die aanvragen, dan nu al het geval is.

Tegelijkertijd loopt er momenteel ook een grote operatie, namelijk de invoering van de omgevingsvergunning per 1 januari 2009. De invoering hiervan ziet voor een deel op dezelfde processen als waar de dwangsomregeling op ziet.

Wij willen het jaar 2008 benutten om tot een implementatie te komen, zodat de organisatie goed voorgesorteerd is wanneer de wettelijke dwangsomregeling van kracht wordt.

 

  • Verordening in relatie tot wettelijke traject

 

Indien door uw raad wordt besloten tot invoering van de verordening zoals verwoord in het initiatiefvoorstel, zal met inachtneming van de geldende termijnen, de verordening op z’n vroegst op 1 januari 2008 in werking kunnen treden. Daar staat tegenover dat de invoering van een dwangsomregeling bij niet tijdig beslissen in de Algemene wet bestuursrecht naar alle waarschijnlijkheid per 1 januari 2009 ingevoerd gaat worden. Door de invoering van een wettelijke regeling zal een eventuele gemeentelijke verordening van rechtswege komen te vervallen.

In het kader van de deregulering en duidelijkheid naar de burger achten wij het niet wenselijk om op het terrein van de dwangsomregeling eerst te werken met een verordening die na een jaar vervangen gaat worden door een wettelijke regeling.

 

Advies

Gezien bovenstaande adviseren wij u om de verordening zoals ingediend door de heer J. Wiersma c.s. niet vast te stellen.

 

Leeuwarden,

 

Burgemeester en wethouders van Leeuwarden,

 

G. Krol, loco-burgemeester,

 

drs C.H.J. Brugman, secretaris

 
       
 

ONTVANGSTBEVESTIGING

INITIATIEFVOORSTEL

DWANGSOMVERORDENING

   
       
 

DWANGSOMVERORDENING

GEMEENTE LEEUWARDEN

 

(Concept-)Verordening dwangsom bij niet tijdig beslissen Leeuwarden.

Vastgesteld bij besluit van de Gemeenteraad van Leeuwarden van 1 oktober 2007, nr. 9 (Raadsbesluit Blad nr. 2007/11 van 1 oktober 2007). In werking getreden op 1 oktober 2007.

Artikel 1               Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • bestuursorgaan: een bestuursorgaan van de gemeente Leeuwarden;
  • beschikking op aanvraag: een beschikking op aanvraag als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht, met inbegrip van een beslissing op bezwaar;
  • tijdig: het geven van een beschikking op aanvraag binnen de termijn die daarvoor geldt op grond van de Algemene wet bestuursrecht of een bijzonder wettelijk voorschrift.

Artikel 2               Verschuldigdheid van de dwangsom

  • Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig is gegeven, en het bestuursorgaan, na schriftelijk in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft een beschikking op de aanvraag te geven, is het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom verschuldigd voor elke dag dat het in gebreke is, doch ten hoogste gedurende 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 20,- per dag voor elke dag dat het in gebreke is, de daarop volgende veertien dagen € 30,- per dag voor elke dag dat het in gebreke is en de overige dagen € 40,- per dag. De dwangsom bedraagt niet meer dan € 1.260,-
  • De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop het bestuursorgaan van de aanvrager een ingebrekestelling heeft ontvangen.
  • De ingebrekestelling kan worden verzonden zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een beschikking te geven.
  • Bezwaar of beroep tegen het niet tijdig geven van de beschikking schorst niet de werking van de dwangsom als bedoeld in het eerste lid.
  • Geen dwangsom is verschuldigd indien:
  • het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld;
  • het niet tijdig beslissen te wijten is aan de aanvrager;
  • de aanvrager geen belanghebbende is, of de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is;
  • het bestuursorgaan niet in staat is een beschikking te geven door uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden buiten zijn toedoen die in redelijkheid niet voor zijn risico dienen te komen, of
  • de aanvrager met uitstel akkoord is gegaan.
  • Indien er meer dan één aanvrager is, is de dwangsom aan ieder van de aanvragers voor een gelijk deel verschuldigd.

Artikel 3              Vaststellen en betalen van de dwangsom

  • Het bestuursorgaan stelt de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschik-king vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was.
  • De betaling geschiedt binnen zes weken nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Artikel 4              Stapelen van dwangsommen en schadevergoedingen

Indien het bestuursorgaan als gevolg van het niet tijdig geven van een beschikking op aanvraag uit andere hoofde een schadevergoeding of een dwangsom verschuldigd is, komt het recht op een dwangsom als bedoeld in artikel 2 in zoverre te vervallen.

Artikel 5              Overgangsrecht

Deze verordening is niet van toepassing op het niet tijdig geven van een beschikking op aanvraag, ingediend voor het tijdstip waarop deze verordening in werking is getreden.

Artikel 6              Evaluatie

Deze verordening wordt in de twaalfde en vierentwintigste maand na de datum van inwer­king­treding geëvalueerd. Gedeputeerde Staten brengen in die maanden verslag uit aan Provinciale Staten over de werking van deze verordening.

Artikel 7              Slotbepaling

  • Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 oktober 2007.
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening dwangsom bij niet tijdig beslissen Leeuwarden.

Toelichting Verordening dwangsom bij niet tijdig beslissen Leeuwarden

Algemeen deel

Het komt voor dat bestuursorganen er niet in slagen om binnen de wettelijke beslistermijnen een beslissing te nemen op een beschikking op aanvraag (bijv. een milieuvergunning) of een ingediend bezwaarschrift. Om hieraan een halt toe te roepen heeft de Gemeenteraad van Leeuwarden in hun vergadering van 1 oktober 2007 besloten om een verordening op te stellen op grond waarvan gemeentelijke bestuursorganen aan de burger een dwangsom verschuldigd zijn bij het niet tijdig nemen van een beschikking op een aanvraag en een bezwaarschrift. De Verordening dwangsom bij niet tijdig beslissen Leeuwarden strekt ter bescherming van de rechten en belangen van burgers en bedrijven.

De Verordening dwangsom bij niet tijdig beslissen Leeuwarden is geïnspireerd op het wets­voorstel van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Wolfsen (PvdA) en Luchten­veld (VVD) tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met de mogelijkheid van een dwangsom bij niet tijdig beslissen door een bestuursorgaan (Wet dwangsom bij niet tijdig beslis­sen door een bestuursorgaan (29 934)). Deze toelichting is grotendeels gebaseerd op de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1              Begripsomschrijvingen

Ten gevolge van de omschrijving van ‘beschikking op aanvraag’ geldt onderhavige verordening niet alleen voor het niet tijdig geven van een beschikking op een aanvraag als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (bijvoorbeeld een aanvraag om subsidie), maar ook voor een beslissing op bezwaar. De verordening is niet van toepassing op besluiten van algemene strekking of op ambtshalve beschikkingen. Bestuursorganen van de gemeente Leeuwarden zijn onder andere Het College van Burgemeester en Wethouders, de Gemeenteraad, de Burgemeester, de Adviescommissie Bezwaarschriften en de gemeenteambtenaar belast met de heffing van gemeentelijke belastingen.

Artikel 2              Verschuldigdheid van de dwangsom

Artikel 2 bevat de kern van de dwangsomregeling. Het regelt de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom. Een beschikking op een aanvraag kan op een breed terrein betrekking heb­ben: Bouw- en milieuvergunningen en ontheffingen (o.a. Wet milieubeheer en Wet bodem­bescherming), subsidieaanvragen op grond van gemeentelijke subsidieregelingen, vergunningen of ontheffingen betreffende de grond- en waterhuishouding. Aanvragen om bijzondere bijstand of vervoersvoorzieningen (o.a. Wet Werk en Bijstand en Wet Maatschappelijke Ondersteuning) en ver­gunningen uit hoofde van bijvoorbeeld Woningwet.

Eerste en tweede lid

Een bestuursorgaan is in gebreke zodra het een beschikking op aanvraag ‘niet tijdig’ geeft. Op welk moment dit het geval is, kan worden afgeleid uit de artikelen 4:13 tot en met 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 4:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een beschikking gegeven moet worden binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, als er geen wettelijke termijn is, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. In de gevallen waarin een wettelijke termijn geldt, is de situatie in beginsel duidelijk: er is dan niet tijdig beslist wanneer het bestuursorgaan de in het betreffende wettelijke voorschrift genoemde termijn heeft overschreden. Geeft het wettelijk voorschrift een mogelijkheid tot verlenging van de beslistermijn, dan zal daarvan binnen de oorspronkelijke beslistermijn gebruik moeten worden gemaakt.

In dit verband is nog van belang dat artikel 4:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, uitdrukkelijk niet beoogt om (extra) verlenging van de beslistermijn mogelijk te maken. Deze bepaling verplicht het bestuursorgaan uitsluitend om de aanvrager te informeren indien een beschikking niet binnen de wettelijke termijn kan worden gegeven en hem daarbij ook te informeren over het tijdstip waarop de beschikking wel genomen zal kunnen worden. Het gaat hier dus niet om verlenging, maar juist om een uitdrukkelijke erkenning door het bestuursorgaan dat het in gebreke is. Voor de aanvrager is dit onder andere van belang in verband met de mogelijkheid van bezwaar en beroep.

Een bijzondere variant van de wettelijke termijn waarbinnen een beslissing moet worden genomen, is het geval waarin de betrokken wet bepaald dat een aanvraag bij overschrijding van de in de wet gestelde termijn van rechtswege is gehonoreerd of geweigerd. Zie in dit verband een gemeentelijk voorbeeld in artikel 46, vierde lid, van de Woningwet voor de bouwvergunning. In zo’n geval komt het per definitie niet voor dat een bestuursorgaan te laat beslist. Er is in die gevallen (van rechtswege) immers een beschikking uiterlijk op het tijdstip waarop de beslistermijn afloopt. Daarna is het bestuursorgaan ook niet meer tot beslissen bevoegd. De mededelingsplicht van artikel 4:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geldt in dit geval ook niet (zie artikel 4:14, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht).

Wanneer er geen wettelijke termijn geldt, dient het bestuursorgaan te beslissen binnen de redelijke termijn van artikel 4:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De lengte van die termijn kan zeer variëren afhankelijk van vooral de complexiteit van de besluitvorming en het belang dat de aanvrager heeft bij een snelle beslissing. Voor de toepassing van de dwangsomregeling hoeft dit een minder groot bezwaar te zijn dan dit op het eerste gezicht lijkt. In de praktijk zal de aanvrager namelijk houvast hebben aan de voorschriften van artikel 4:13, tweede lid en 4:14, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Daaruit volgt als hoofdregel dat het bestuursorgaan de aanvrager dient te informeren over de redelijke termijn die zal worden gehanteerd. Dit informeren moet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag gebeuren en het mag alleen achterwege blijven als binnen die acht weken de beschikking zelf al genomen wordt. Een ingebrekestelling wegens niet tijdig beslissen zal bij het ontbreken van een wettelijke termijn dus in elk geval mogelijk zijn zodra de door het bestuur meegedeelde redelijke termijn is verstreken of – als het bestuur geen mededeling doet – zodra acht weken zijn verstreken na ontvangst van de aanvraag door het bestuursorgaan. Naast of in plaats van een inge­brekestelling blijft ook bezwaar en beroep wegens niet tijdig beslissen mogelijk (artikel 6:2, on­derdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht). Dat kan met name zinvol zijn indien er on­enigheid bestaat over de redelijkheid van de door het bestuur gehanteerde termijn. Zie over de samenloop van dwangsom en bezwaar ook het vierde lid en de toelichting daarop.

Als de vertraging veroorzaakt wordt doordat de aanvrager een aanvraag heeft ingediend die onvolledig is of die zonder vertaling of samenvatting niet beoordeeld kan worden, kan dit uiteraard niet aan het bestuursorgaan worden toegerekend. Daarvoor zorgt artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat de beslistermijn wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het bestuursorgaan om aanvulling van de aanvraag heeft verzocht, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de voor aanvulling gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Opschorting van de beslistermijn kan in sommige gevallen ook uit andere wettelijke bepalingen voortvloeien. Zo worden wettelijke termijnen krachtens artikel 31 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet bibob) opgeschort indien een bestuursorgaan zich gehouden voelt een zogenaamd bibob-advies te vragen teneinde de betrouwbaarheid van de aanvrager vast te stellen.

Wanneer de bestuursrechter een eerder besluit van het bestuursorgaan heeft vernietigd en het bestuursorgaan een nieuw besluit moet nemen, gelden daarvoor dezelfde termijnen als voor het oorspronkelijke besluit (zie bijvoorbeeld Vz CBB 30 januari 2004, JB 2004/138), tenzij de rechter in zijn uitspraak een termijn heeft gesteld voor het nemen van een nieuw besluit. In het laatste geval is de door de rechter gestelde termijn uiteraard maatgevend voor de beoordeling van de tijdigheid van het nieuwe besluit.

De regeling ziet door de definitiebepaling ook op beslissingen op bezwaarschriften tegen beschikkingen. Daarbij is het dus niet van belang of die – primaire – beschikkingen al of niet op aanvraag zijn gegeven. Het bezwaarschrift is immers zelf een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Parl. Gesch. Awb I, blz. 282). Voor de toepassing van de dwang­somregeling bij beslissing op bezwaar geldt hetzelfde als hetgeen hierna wordt opgemerkt over de toepassing bij beschikkingen op aanvraag. De regeling van de beslistermijn voor de beslissing op bezwaar in artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht verdient hier nog aparte vermelding. Daarin is de mogelijkheid opgenomen om met instemming van de indiener van het bezwaarschrift de beslissing op het bezwaar verder uit te stellen dan de eenmalige verdagingsmogelijkheid die het artikel al biedt (zie het derde en vierde lid van artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht). Die instemming moet dan wel gevraagd worden binnen de reguliere beslistermijn of de termijn waarmee (tijdig) is verdaagd. De instemming hoeft niet in alle gevallen ook uitdrukkelijk te zijn verleend. De rechtspraak pleegt uit de omstandigheden van het geval af te leiden of het bestuursorgaan ervan mocht uitgaan dat de instemming aanwezig was (recent bijvoorbeeld ABRvS 26 mei 2004, LJN AP0019). Dit kan soms ook uit de ‘proceshouding’ van de bezwaarmaker worden afgeleid (zoals in Vz CBB 28 december 1998, LJN AA3411). Heeft de indiener van het bezwaarschrift met verder uitstel ingestemd, dan kan hij het bestuursorgaan tijdens de uitstelperiode niet ineens en zonder bijzondere aanleiding toch voor de rechter dagen wegens niet tijdig beslissen (zie bijvoorbeeld CRvB 3 januari 2001, JB 2001/52). Hetzelfde zal opgaan voor een ingebrekestelling ter inleiding van een dwangsom.

Om aanspraak te kunnen maken op een dwangsom, moet de aanvrager het bestuursorgaan schriftelijk in gebreke stellen. Daarbij dient hij het bestuursorgaan nog enige tijd te gunnen om alsnog te beslissen, anders heeft de ingebrekestelling immers geen zin. Ter wille van de duidelijkheid is deze termijn in het tweede lid gefixeerd op twee weken. De termijn van twee weken vangt aan op de dag na die waarop de ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. Indien het bestuursorgaan bijvoorbeeld op maandag 2 augustus een ingebreke-stelling ontvangt, is de eerste dag van de termijn dinsdag 3 augustus. De laatste dag van de termijn is dan maandag 16 augustus, zodat op dinsdag 17 augustus voor de eerste keer de dwangsom wordt verbeurd, indien nog steeds geen besluit is genomen. De ingebrekestelling moet schriftelijk gebeuren.

Het is gebruikelijk om dwangsommen te limiteren. Zo ook hier. Het maximaal verschuldigde bedrag is gesteld op € 1.260,- wat overeenkomt met tweeenveertig dagen na afloop van de inge­breke­stel­lingstermijn. Indien het bestuursorgaan binnen die tweeenveertig dagen op de aanvraag beslist, is de dag waarop de beschikking aan de aanvrager is verzonden, de laatste dag waarover nog betaald moet worden.

Aan de inhoud van de ingebrekestelling zijn geen bijzondere eisen gesteld. Het spreekt echter vanzelf dat van een ingebrekestelling in de zin van deze verordening slechts sprake kan zijn, indien voldoende duidelijk is op welk te nemen besluit zij betrekking heeft. Als de aanvrager wegens het niet tijdig beslissen bezwaar instelt (artikel 6:2, onderdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht) of daarover een schriftelijke klacht indient bij het bestuursorgaan (artikel 9:4 van de Algemene wet bestuursrecht), is daar mee tevens voldaan aan het vereiste van schriftelijke ingebrekestelling.

Zoals hiervoor al gezegd, is een bestuursorgaan dat de wettelijke termijn voor het geven van een beschikking op aanvraag overschrijdt, ook zelf verplicht de aanvrager daarop te wijzen en daarbij een zo kort mogelijke termijn te noemen waarbinnen de beschikking alsnog zal worden gegeven (artikel 4:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht). Naar aanleiding van deze infor­matie kan de aanvrager beslissen of hij het bestuursorgaan al dan niet in gebreke zal stellen.

Derde lid

De aanvrager kan het bestuursorgaan in gebreke stellen zodra hij redelijkerwijs kan menen dat het bestuursorgaan in gebreke is. Het is dus niet mogelijk om bij een aanvraag het be­stuursorgaan al bij voorbaat in gebreke te stellen voor het geval niet tijdig zal worden beslist. Dan zou de ingebrekestelling immers haar functie niet meer kunnen vervullen.

Vierde lid

Deze bepaling stelt buiten twijfel dat de dwangsom doorloopt indien de aanvrager tevens bezwaar of beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. Weliswaar is het bestuurs­orgaan in de periode dat het bezwaar aanhangig is, niet wettelijk verplicht een (primair)besluit op de aanvraag te nemen (zie artikel 6:20, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuurs­recht), maar deze uitzondering is uitsluitend gemaakt om het bestuursorgaan de keuze te bieden om de beslissing al of niet te incorporeren in de beslissing op bezwaar, en niet om extra uitstel te bewerkstelligen. De dwangsom eindigt uiteraard wel in het geval een bestuursorgaan niet langer verplicht is om een primair besluit op de aanvraag te nemen omdat de beslissing op de aanvraag reeds is vervat in de beslissing op het ingestelde bezwaar (vgl. artikel 6:20, tweede lid, onderdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht). Het komt wel voor dat een bestuursorgaan dat in gebreke is tijdig een primaire beschikking te nemen op de aanvraag, opnieuw in gebreke is bij het tijdig beslissen op een daartegen ingesteld bezwaar. In dat geval kan het bestuursorgaan uit hoofde van deze regeling niet alleen een dwangsom verschuldigd zijn wegens het uitblijven van de primaire beschikking, maar daarnaast opnieuw wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Voor dat laatste is dan wel opnieuw een ingebrekestelling vereist.

Vijfde lid

Het vijfde lid geeft een aantal uitzonderingen op de dwangsomregeling. Ten eerste is er geen dwangsom verschuldigd als het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld (onderdeel a). Een overeenkomstige bepaling is opgenomen in artikel 6:12, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor het bezwaar of beroep tegen het niet tijdig beslissen. Wat onredelijk laat is, kan niet in zijn algemeenheid worden bepaald. Daarvoor is niet zonder meer doorslaggevend wanneer de oorspronkelijke aanvraag of het bezwaar is ingediend. Wel is van belang of en hoe er nadien van gedachten is gewisseld tussen aanvrager en het bestuursorgaan (zie bijvoorbeeld CRvB 26 februari 2004, LJN A04639 en ABRvS 20 februari 2002, JB 2002/113).

Ook is geen dwangsom verschuldigd als het niet tijdig beslissen te wijten is aan de aanvrager zelf (onderdeel b). Als het bestuursorgaan bijvoorbeeld niet tijdig kon beslissen doordat de aanvrager een dag voor afloop van de beslistermijn ineens nog allerlei nadere gegevens heeft opgestuurd, of doordat de aanvrager zelf om uitstel van een hoorzitting heeft gevraagd, en het bestuursorgaan heeft zich hierin bereidwillig getoond, dan moet het vervolgens niet onmiddellijk na afloop van de beslistermijn met een ingebrekestelling overvallen kunnen worden. Deze be­paling strekt er mede toe misbruik van de dwangsomregeling te voorkomen. Een aanvrager moet geen financieel voordeel kunnen ondervinden van het tegenwerken van een tijdige beslissing door hemzelf.

Verder is geen dwangsom verschuldigd indien de aanvrager geen belanghebbende is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht of indien de aanvraag (of het bezwaar) kennelijk niet-ontvankelijk is of kennelijk ongegrond (onderdeel c). Het is namelijk niet de bedoeling dat de dwangsomregeling tot gevolg heeft dat het lucratief wordt om maar zo veel mogelijk beschik-kingen aan te vragen en bezwaren in te dienen in de hoop dat er zo hier en daar wel een – met dit soort aanvragen en bezwaren overladen – bestuursorgaan niet tijdig zal kunnen beslissen. Ook deze bepaling strekt er vooral toe misbruik te voorkomen.

Een dwangsom is evenmin verschuldigd indien het bestuursorgaan – kort samengevat – door overmacht niet in staat is een beschikking te geven (onderdeel d). Doel van de dwangsom is het onder druk zetten van het bestuursorgaan teneinde verdere vertraging te voorkomen. Het gaat hier dus niet primair om een genoegdoening, al zal het door de aanvrager wel mede zo gevoeld kunnen worden. Dit betekent ook dat een dwangsom geen zin heeft als daarmee het doel ervan met geen mogelijkheid bereikt kan worden doordat het bestuursorgaan zich in een over­machtsituatie bevindt. Dat van overmacht sprake is, zal overigens niet snel mogen worden aangenomen. Het zal dan in elk geval moeten gaan om een onmogelijkheid om te beslissen die veroorzaakt wordt door abnormale en onvoorziene omstandigheden buiten toedoen van het bestuursorgaan zelf en ook buiten zijn risicosfeer. Daarvan zal bijvoorbeeld wel sprake kunnen zijn wanneer het provinciehuis is afgebrand, maar uit de jurisprudentie inzake termijn­overschrijdingen kan worden afgeleid dat ziekteverzuim en administratieve of organisatorische problemen binnen de invloedssfeer van het bestuursorgaan niet een beroep op overmacht rechtvaardigen, ook niet als zij van structurele aard zijn (bijvoorbeeld Vz CBB 28 april 1995, JB 1995/136 en Rechtbank Roermond 9 februari 1996, JB 1996/102), evenmin als het niet tijdig ter beschikking komen van informatie van een ander bestuursorgaan (CBB 25 november 2003, LJN A01044), het willen afwachten van een rechterlijke beslissing in een andere zaak ( ABRvS 5 november 2003, JB 2004/11), of een verzoek van de Europese Commissie (Vz CBB 30 januari 2004, JM 2004/87 en JB 2004/138). Ook een groot aantal bezwaarschriften tegen een beslissing is in beginsel geen argument dat op zichzelf termijnoverschrijding rechtvaardigt. Wel nam de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak aan dat aan de eis van een integrale beoordeling in onderlinge samenhang van ruim tweeduizend bezwaarschriften, on­mogelijk binnen de wettelijke termijn kon worden voldaan (ABRvS 19 november 2003, JB 2004/19).

Ten slotte is er geen dwangsom verschuldigd indien de aanvrager met uitstel akkoord is gegaan (onderdeel e). De uitzondering spreekt voor zich: wie zelf met een periode van uitstel instemt, bijvoorbeeld opdat nader onderzoek kan worden gedaan, moet vervolgens niet een ingebreke-stelling kunnen sturen binnen die periode. De instemming met uitstel zal uiteraard wel uitdrukkelijk moeten zijn gegeven of zonder twijfel moeten kunnen worden afgeleid uit de gang van zaken. Daarbij gaat het uiteraard niet aan dat het bestuursorgaan druk op de belang­hebbende uitoefent om met het uitstel in te stemmen.

Zesde lid

In het zeldzame geval dat een aanvraag door meer dan één aanvrager is ingediend, wordt de dwangsom niet evenzoveel keer uitgekeerd, doch evenredig over de aanvragers verdeeld. Per beschikking zal dus in elk geval nooit meer dan eenmaal de maximale dwangsom van het eerste lid verschuldigd zijn. Voor de goede orde: deze bepaling heeft dus niet betrekking op de situatie dat er meerdere aanvragers zijn die elk – min of meer gelijktijdig – een eigen en dus afzonder-lijke aanvraag hebben ingediend, bijvoorbeeld een aanvraag om een financiële bijdrage uit een bepaalde subsidiepot. In dat geval moet immers op elke aanvraag afzonderlijk worden beschikt en geldt dus ook voor elk van die beschikkingen afzonderlijk dat een dwangsom verschuldigd kan zijn. Slechts indien er meerdere aanvragers samen één aanvraag indienen zal er sprake zijn van het verdelen van de dwangsom. Dit geldt ook als het gaat om bezwaarschriften.

Artikel 3              Vaststellen en betalen van de dwangsom

Blijkens het eerste lid moet het bestuursorgaan de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom eigener beweging bij beschikking vaststellen. Wanneer het bestuursorgaan alsnog een beschikking heeft genomen op de aanvraag of op het bezwaar, zal het de hoogte van de dwangsom in veel gevallen tegelijk met die beschikking kunnen vaststellen en bekend maken. Is dit niet mogelijk, dan zal het dit in elk geval moeten doen binnen twee weken na de dag waarop de alsnog genomen beschikking aan de aanvrager is verzonden. Die dag is immers de laatste dag waarover in dat geval de dwangsom verschuldigd is, tenzij al eerder het maximumbedrag van € 1.260,- werd bereikt. In dat laatste geval moet de vaststellingsbeschikking genomen worden binnen twee weken na de dag waarop het maximum is bereikt. Voor de goede orde: de verordening is niet van toepassing op de beschikking die op grond van het eerste lid van artikel 3 genomen dient te worden. Deze beschikking wordt immers eigener beweging en niet op aanvraag door het bestuursorgaan genomen.

De termijn waarbinnen moet worden betaald is gesteld op zes weken (tweede lid). Deze bepaling is gelijkluidend aan artikel 4.4.1.3 uit het wetsvoorstel vierde tranche Algemene wet bestuurs-recht (Kamerstukken II 2003 – 2004, 29 702, nrs. 1 – 2). De lengte van de betalingstermijn is daarmee gelijk aan die voor het instellen van bezwaar of beroep in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht. Ook het tijdstip waarop de betalingstermijn ingaat wordt op dezelfde wijze bepaald als bij de bezwaar- en beroepstermijn, doordat in aansluiting op artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de betalingstermijn gaat lopen nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De betaling moet binnen de gestelde termijn geschieden. Bij overschrijving op een bank- of girorekening betekent dit, over­eenkomstig hetgeen ook in het privaatrecht geldt, dat tijdig is betaald indien het verschuldigde bedrag binnen de termijn op de rekening van de aanvrager is bijgeschreven. Indien de aanvrager het niet eens is met de berekening van de hoogte van de dwangsom, kan hij daartegen op de normale wijze bezwaar en beroep instellen.

Artikel 4              Stapelen van dwangsommen en schadevergoedingen

Indien een belanghebbende een bestuursorgaan van de provincie uit andere hoofde, bijvoorbeeld op grond van onrechtmatige daad, aanspreekt op bijvoorbeeld schadevergoeding als gevolg van het niet tijdig geven van een beschikking op aanvraag, komt het recht op een dwangsom als bedoeld in artikel 2 in zoverre te vervallen. Op deze wijze wordt het stapelen van dwangsommen en schadevergoedingen voorkomen. De aanduiding ‘in zoverre’ heeft de volgende betekenis. Stel de situatie waarin de dwangsom op basis van onderhavige verordening wordt vastgesteld op een bedrag van € 400. De rechter is echter van oordeel dat de burger vanwege het niet tijdig beslissen door het bestuursorgaan een schadevergoeding toekomt van € 300. De dwangsom van € 400 komt dan voor een bedrag van € 300 te vervallen, zodat aan de burger uiteindelijk een bedrag van € 100 dient te worden toegekend op basis van onderhavige verordening.

Artikel 5              Overgangsrecht

Deze bepaling regelt het overgangsrecht. De verordening is alleen van toepassing op het niet tijdig beslissen op een aanvraag of bezwaarschrift ingediend op of na de dag waarop deze verordening in werking is getreden.